vrijdag 26 augustus 2011

Inzicht, overzicht


Mijn leven lang heb ik inzicht nagestreefd, maar ik besef nu pas dat dat een wat overschat begrip is. Vooral de laatste tijd heb ik veel meer behoefte aan overzicht en wat ik heerlijk vind aan het leven in mijn tuinhuis is dat het een overzichtelijk leven is. Het huisje is klein – nog geen twintig vierkante meter, schat ik – en er is geen stroom. Gas komt uit butagasflessen en water is er van april tot en met oktober, waarna het vanwege het risico op vorstschade afgesloten wordt en iedereen water moet halen bij een centraal punt. Gelukkig staat mijn huisje daar niet ver vandaan. Ik heb wel een wc in mijn huisje, maar geen douche en ook geen butagasgeiser; douchen kan in het toiletgebouw, dat zich vlakbij het watertappunt bevindt, dus gelukkig ook niet ver weg, maar in de zomer was ik me vaak gewoon ouderwets aan de kraan, met koud water, in plaats van elke dag een muntje van 50 cent in de douche-automaat te gooien.
Tot nog toe heb ik het ook moeiteloos zonder stroom gered. Een koelkast heb ik niet nodig: twee ondergrondse bakken houden levensmiddelen, frisdrank, wijn en bier voor bezoekers verrassend fris. Hoewel mijn tuinbuurman me vaak heeft aangeboden dat ik zijn generator mag gebruiken als ik wat te boren of te zagen heb, is het me altijd gelukt om dat allemaal met de hand te doen. Langzaam dus. Mijn gordijnen, mijn parasol, mijn kussens heb ik allemaal met de hand genaaid. Op de vloer ligt vinyl, schoon te houden door vegen en af en toe dweilen, voor het deurmatje heb ik een ouderwetse mattenklopper, die te zijner tijd, als het voddenkleed dat ik aan het maken ben af is, ook goede diensten zal bewijzen. In de week dat ik op de tuin woonde ging ik vroeg slapen (eigenlijk doe ik dat ook thuis); op bed lezen ging met een dienblaadje vol waxinelichtjes, omgebouwd met spiegeltegels. Sindsdien heb ik wel een led-lampje op batterijen gekocht.
Het tweepits gasstelletje is voldoende voor alledaags gebruik. Wat ik op de langere duur wel zal gaan missen is een oven. Tja, die kún je bouwen, maar ik heb gezien dat dat heel veel buitenruimte vraagt en ook mijn tuin is niet echt groot. Je kunt ook veel met een zogenaamde ‘wonderpan’, maar het mooiste zou natuurlijk zijn, er ooit een keer een butagasfornuis neer te zetten. Dat kost echter heel veel geld en voorzover ik dat geld ooit bij elkaar zou kunnen sparen, heb ik toch ook nog andere prioriteiten. Want zeker in de winter zal ik heel moeilijk zonder stroom kunnen leven. Het belangrijkste dat op die stroom zal moeten draaien is mijn laptop. Ik merk dat ik te veel van ‘de echte wereld’ afgesneden ben zonder computer. Met de hand schrijven lukt wel enigszins, maar hoe veel keer per dag wil ik niet iets opzoeken op google, ik zou toch af en toe wel een film willen zien.  
In de nabije toekomst moet er dus een accu komen te staan. Zonnepanelen… veel te duur. Als ik een accu en een omvormer heb, kan ik die zeker de eerste tijd opladen op het complex. Op iets langere termijn moet er ook een mogelijkheid komen om op internet te kunnen. Een dongel is niet voordelig, maar wel de voordeligste mogelijkheid zolang er geen wifipunt in de nabije omgeving is. 

donderdag 25 augustus 2011

Kleine kleren, grote kleren


Komende maand wordt mijn zoon achttien. De meeste ouders zullen verzuchten: wat is de tijd toch snel gegaan, en pas geleden las ik hun mening bevestigd in de boeken van Douwe Draaisma (waarover ik als armoedzaaier pas kan beschikken als ze in de bibliotheek liggen) dat de tijd, naarmate je ouder wordt, sneller lijkt te gaan. De jaren van je kindertijd lijken zich eindeloos op te rekken, maar vooral die ‘productieve’ volwassen tijd, van carrière maken en verantwoordelijkheden hebben, die blijkt voorbij te vliegen zonder dat er van al dat belangrijks zelfs veel herinneringssporen blijven liggen. Mijn eigen ervaring is dat de tijd onmiddellijk weer zo’n vertraging ondergaat als je zelf een kind krijgt. Alsof je hem opnieuw beleeft door de ogen van je kind. Terwijl mijn zoon opgroeide, had ik ook een baan. Ik moest wel, als alleenstaande ouder, al zorgde ik er altijd wel voor zo min mogelijk te werken om zo veel mogelijk te kunnen moederen. Maar van wat ik in die twaalf jaar als redacteur deed, daarvan heb ik weinig herinneringen gemaakt. O ja, denk ik als ik mijn eigen naam opgoogle en nog allerlei artikelen vind die ik in die tijd schreef. Dat deel van mijn leven lijkt inderdaad wel veel korter geduurd te hebben dan het in feite duurde. Het geheugen comprimeert dat hele gedoe waarschijnlijk als ‘veel van het zelfde’.

Het sweatvest dat ik voor hem aan het maken was, met de hand omdat mijn Singer het na veertig jaar trouwe dienst begeven heeft, is af. Het is vrij bijzonder dat hij me gevraagd heeft, zoiets voor hem te maken, want als kinderen zo’n jaar of tien zijn, willen ze niet meer gezien worden in iets wat hun moeder gemaakt heeft, tenzij het niet van merkkleding te onderscheiden valt. Dit vest, ik denk gedragen door één van zijn game-helden, wit met een rode voering, was evenwel niet in de winkel verkrijgbaar, althans niet voor een prijs die hij zich van zijn stufi en bijbaantjes kon permitteren. Een patroon was wel te bestellen via internet, maar 8 euro, kom op zeg, geef die oude sweater maar waar de gaten al in zijn gevallen, dan gebruik ik die als patroon. De stof kon ik goedkoop scoren op de Rotterdamse markt.
Had mijn Singer nog naar behoren gewerkt, dan zou ik het vest in een paar dagen klaar gehad hebben; nu heb ik er bijna een maand over gedaan, wat niet erg was, want hij had het toch pas nodig zodra het weer kouder zou worden. De eerste kleren die ik voor hem maakte, waren urgenter: hij werd twee maanden te vroeg geboren, nog voor ik überhaupt een uitzet voor hem klaar had, en alles wat kant-en-klaar in de winkel verkrijgbaar was, was veel te groot. Van langzaam leven was kort na die vroege geboorte geen sprake; ik wilde zo veel mogelijk bij hem op de couveuse-afdeling zijn, en tussendoor moest ik kolven, mijn huis klaarmaken voor zijn komst en zorgen dat hij kleding zou hebben voor als hij thuiskwam. Eén van die setjes heb ik bewaard, ik kocht er zelfs een pop voor zo groot als hij zelf bij zijn geboorte was.

Ik benijd altijd de trots waarmee anderen op internet hun zelfgemaakte producten presenteren. Mij is van kind af aan voorgehouden dat ik nooit ergens trots op mocht zijn, en altijd de aandacht moest vestigen op wat er niet perfect aan was. Toen ik de laatste draad van het vest afhechtte zei ik aarzelend tegen mijn zoon: ‘Misschien mag ik hier best trots op zijn.’ ‘Ja hoor’, antwoordde hij, terwijl hij met de gewone onverschilligheid van de achttienjarige doorging met het downloaden van muziek. Maar toen hij thuiskwam van een middagje in de stad legde hij drie dvd’s bij me neer, de Millenniumtrilogie die ik zo graag nog een keer wilde zien. Ik vat het maar op als ‘bedankt’. 

woensdag 24 augustus 2011

Sow down, you move to fast


Voor een deel wordt het langzame leven me nu afgedwongen. Zoals ik hierboven al zei: op zeker moment kreeg ik een burnout. Dat is nu zo’n zeven jaar geleden. Noem het chronische depressie, noem het ME/CVS, hoe dan ook, het was blijkbaar erg genoeg om ten slotte afgekeurd te worden (ook dat is een procedure geweest die mijn geduld behoorlijk op de proef gesteld heeft). Omdat ik mijn laatste betaalde werk als zzp’er uitvoerde, kwam ik meteen in de bijstand terecht. Anders dan de hippe slow-livers en ook, denk ik, anders dan veel van de terug-naar-de-natuurvrouwen kan ik heel weinig investeren. Niet in zonnepanelen, niet in een abonnement op de krant in plaats van het tv-journaal, niet in (tip op één van de hippe slow-living-sites) in alle rust boodschappen doen bij de buurtwinkels in plaats van bij Bas of Aldi, niet in mooie, natuurlijke materialen om dingen van te maken. Soms dwingt geldgebrek ook tot langzame oplossingen: als de magnetron en de koffiezetter het begeven, blijk je ook best zonder te kunnen leven.  Een auto heb ik al twintig jaar niet meer. Die mis ik alleen als ik echt grote dingen moet vervoeren; een (geleend) fietskarretje biedt negen van de tien keer uitkomst. Slechts een enkele keer moet ik een beroep doen op vrienden die wel een auto bezitten.

Voor een ander deel heb ik, mijn aangeboren ongeduld ten spijt, toch ook altijd genoten van dingen die per definitie langzaam gaan. Als kind al was ik bezig, dingen met mijn handen te maken, met wol en stof, pijpenragers en kurken. Ik ben nog van de generatie die op de basisschool leerde handwerken, en anders dan veel van mijn ‘intellectuele’ generatiegenoten had ik in die lessen veel plezier en ik heb ze altijd even nuttig gevonden als die in rekenen en taal.  Pas op latere leeftijd kreeg het tuinvirus me te pakken en huurde ik een volkstuintje met een ‘onthaastingshutje’ erop. Tuinieren, zeker op een complex dat niet is aangesloten op het energienet, is bij uitstek een activiteit die geduld vraagt – ik aarzel zelfs het een activiteit te noemen, ja, laat ik dat toch maar wel doen, want hoewel de resultaten vaak lang op zich laten wachten, vragen ze wel constante inspanningen. Mijn tuin is een ‘wilde’, romantische tuin, maar wie mocht denken dat een wilde tuin weinig onderhoud vraagt, moet mijn perceeltje maar eens vergelijken met de paar tuinen op een complex die verwilderd zijn.
Zonder stroom moet al het wieden, grasmaaien, graven, heggenknippen, maar ook het boren, zagen en stofferen dat nodig is om het huisje en zijn interieur acceptabel te houden, met de hand gebeuren. Toch kom ik nooit in de verleiding om daarvoor de generator van mijn genereuze tuinbuurman te lenen. De enige stroom die ik mis wanneer ik langere tijd achtereen op mijn tuin doorbreng, is die voor mijn laptop. Ooit, als er weer eens per ongeluk wat geld overschiet, koop ik een accu. En nog ooiter een paar zonnepanelen om hem geladen te houden.

dinsdag 23 augustus 2011

Minder is meer

Ik zit te naaien, met de hand, aan een sweatvest voor mijn zoon: mijn naaimachine heeft het na veertig jaar trouwe dienst begeven. Ja, een collega heeft nog wel een oudje staan in haar kelder, die ze, als ze tijd heeft, even zal komen brengen, maar ik zit er niet echt op te wachten. Hoewel ik in die veertig jaar tal van kledingstukken op die Singer genaaid heb, soms heel lastige, met van die moeilijke zakken, kragen of mouwen, merk ik dat gewoon met de hand naaien een plezierig overzicht geeft, de mogelijkheid om snel te herstellen wat ik niet helemaal goed gedaan heb. Achter me, op het buffet, staat sinds gisteren een vijfliterfles vlierbessenwijn te gisten. Overmorgen mag het waterslot erop. Het is voor het eerst dat ik wijn probeer te maken: ik vond het zonde om al die vlierbessen zomaar weg te gooien; je kunt er natuurlijk jam van maken, maar noch mijn zoon, noch ik houden van jam en in de chutneys kom ik zo langzamerhand al om.
Ik surf wat rond op Google om te weten te komen hoe ik het waterslot straks zal moeten plaatsen, en kom op die manier terecht op een aantal sites over ‘langzaam leven’, of, in hippere termen, slow living. Langzaam leven: dat ben ik nu aan het leren, besef ik. Toch herken ik wat er op die sites staat maar ten dele. De hippe ‘slow livers’ hebben zo te zien een vrij bewuste beslissing genomen om zo nu en dan even stil te staan in hun overigens zo hectische bestaan. De minder hippe langzaam-levers zijn veeleer mensen – vooral vrouwen – die willen leven met de natuur.

Van nature ben ik geen langzaam-lever, maar ook geen enthousiaste deelnemer aan de ratrace. Toen ik nog een baan had, werkte ik wel snel. Tempo was mijn ‘unique selling point’, aan weinig had ik zo’n hekel als aan anderen laten wachten en voor mijn dwangmatig overal op tijd of zelfs veel te vroeg zijn muntte ik ooit de term ‘pathologisch punctueel’. Ik zal niet zeggen dat het daardoor is dat ik tenslotte door een burnout en daaraan aansluitend ME/CVS gedwongen werd, een tandje lager te gaan: dat zou veel te kort door de bocht zijn, en kort door de bocht is wel het laatste wat bij langzaam leven past.
Ook in niet-betaald werk heb ik de neiging, alles snel te doen: het woord ‘even’ is me in de mond bestorven, even tussendoor een strijk wegwerken, even dweilen, even een kastje timmeren, even een bezwaarschrift schrijven, even naar de sportschool, even boodschappen doen. Vaak in mijn leven heeft het er veel van weg gehad, dat ik álle dingen ‘even tussen andere dingen door’ deed. Geduld is niet mijn sterkste kant.